|
voorwoord
door Dr. Gabriele Lademann-Priemer, adviseur voor wereldbeschouwing
en sekten bij de Evangelisch Lutherse kerk in Noord-Duitsland.
|
|
In de jaren 80 bezocht ik de Zuid-Afrikaanse
leefgemeenschap Kwasizabantu in KwaZulu-Natal en had een onderhoud
met Erlo Stegen, de oprichter en leider. Hij benadrukte dat
het hem niet ging om een nieuwe kerk te stichten, maar dat het
om een interconfessionele zendingsorganisatie ging. Wanneer
mensen zich door genezing of woordverkondiging tot het christendom
bekeerden, zouden ze vanaf dat ogenblik naar plaatselijke kerken
in hun omgeving doorverwezen worden.
Ik was er niet helemaal zeker van
of dat in alle gevallen wel zo was; toch ervaarde ik dat zendelingen
van de Ev. Luth. Kerk en veel bezoekers uit Europa heel onbevangen
met Kwasizabantu omgingen, contacten aanknoopten en met hen
van gedachten wisselden.
Verder zag ik, dat op de locatie
van de leefgemeenschap plantages waren en in een winkel producten
van goede kwaliteit voor redelijke prijzen werden verkocht.
Ook de Sparwinkels in de omgeving die met Kwasizabantu verbonden
waren, golden als goed en hanteerden billijke prijzen.
Toch waren veel Afrikanen en lutherse
predikanten heel kritisch, maar zonder de precieze redenen voor
hun scepsis te noemen.
De heer Stegen benadrukte tegenover
mij, dat zij elke drie maanden naar de "heidense gebieden"
gingen van het voormalige Zoeloeland. Met name in het gebied
rond Tugela Ferry bekeerden zich waarzegsters en waarzeggers,
die dan hun tovervoorwerpen verbrandden. Ik heb foto's van zulke
verbrandingsceremoniën gezien. Tugela Ferry ligt in het
Msinga district en was in de tijd van de Apartheid een woongebied
voor Zoeloes, een zogenaamd thuisland. In deze plaats stond
indertijd een ziekenhuis van de Schotse zending. De traditionele
Zoeloereligie heeft overigens lang stand gehouden in het Msinga
district.
Ondanks dat vroeg ik me af, waar
al die waarzeggers vandaan zouden komen, die steeds maar bekeerd
werden. Ik vond het verdacht en vroeg me af of deze bekerings-
en verbrandingssamenkomsten niet in scène gezet waren.
Enige interviews met mensen binnen
Kwasizabantu leverden verhalen op, dat de één
van een ziekte en de ander van alcoholverslaving was genezen
onder de christelijke invloed van de heer Stegen. Voor Afrikaanse
begrippen was het niet erg spectaculair, want dergelijke genezingsverhalen
worden overal gehoord.
De Europeanen en in het bijzonder
de vrouwen die langdurig Kwasizabantu bezoeken, maakten op mij
op de een of andere manier een vermoeide en uitgeputte indruk.
Volgens een verklaring van de leiding kwamen zij om voor een
periode van 12 dagen in het genezingscentrum te logeren.
Later vernam ik, dat er ook in
Europa onderafdelingen waren van Kwasizabantu. Een bezoek bij
de Duitse leiding maakte na kritische vragen duidelijk dat vrouwen
en mannen gelijk behandeld worden, dat men oecumenische contacten
nastreeft met de kerkelijke buurgemeenten en dat klachten over
incidenten nagegaan worden.
Hier volgt een bijdrage van de
heer Albert Pilon uit Nederland, die onderzoek deed naar de
gemeenschap en veel exleden in Europa en Zuid-Afrika heeft geïnterviewd.